Het geheugen van de vakbeweging

Piet Jeuken

Spil in de internationale vakbondssolidariteit vanuit Nederland

Het is 1971. In het CNV-kantoor aan de Utrechtse Ravellaan worden sollicitatiegesprekken gevoerd met kandidaten voor de functie van coördinator voor de Stichting Ontwikkelingssamenwerking Vakbeweging (SOSV). Als één van hen, een net afgestudeerde socioloog uit Nijmegen, het pand verlaat, wordt het raam van het vergaderzaaltje opengeschoven en klinkt het: “Piet, je bent aangenomen”. De loopbaan van Piet Jeuken, jarenlang de spil in de samenwerking van de Nederlandse vakbeweging met de vakbeweging in ontwikkelingslanden neemt een aanvang.

Piet Jeuken: Idealisme drukte zakelijk instinct wel eens wegPiet Jeuken: Idealisme drukte zakelijk instinct wel eens weg

Piet Jeuken: “Na mijn middelbare school in Venray, waar ik in 1942 ben geboren, heb ik eerst mijn militaire dienstplicht vervuld. Ik bracht het tot reserveofficier, pelotonscommandant. Die ervaring heeft me gemotiveerd een studie sociologie te gaan doen in Nijmegen, met als specialisatie arbeid en bedrijf. Eén van de hoogleraren adviseert me de richting personeelswerk te kiezen. Maar dat liep anders. Door mijn betrokkenheid bij de studentenbeweging kwam bij mij en vele medestudenten de vraag op: hoe kunnen we onze maatschappijkritische visie na de studie in praktijk brengen. Voor mij betekende dat, dat ik in 1970 – ik was net afgestudeerd – reageerde op de oproep voor begeleiding van Indonesische vakbondsleiders en werd daarvoor aangenomen. Met hen ging ik het hele land door. En kwam zo ook in contact met de top van de Nederlandse vakbeweging: André Kloos (NVV), Jan Mertens (NKV) en Jan Lanser (CNV). Dat smaakte naar meer”.

Medefinanciering én bewustwording

“Een jaar later kwam de oproep van de Stichting Ontwikkelingssamenwerking Vakbeweging (SOSV). Oorspronkelijk was de doelstelling de vakbeweging in – voormalige – koloniën te ondersteunen. Indonesië, Suriname, de Antillen. Primaire stond daarin het verwerven van subsidies voor projecten van de vakbeweging daar. Maar al heel snel nam ik de kans waar om de doelstelling tot de vakbeweging in de hele Derde Wereld uit te breiden. Daarnaast voegde ik eraan toe, dat in Nederland binnen de vakbeweging de bewustwording daarover moest worden bevorderd. Dat sloot goed aan bij de commissie-Claus, de Nationale Commissie Ontwikkelingssamenwerking (NCO) die kort ervoor was ingesteld en onder leiding stond van prins Claus van Amsberg,.”
“Eén van de eerste werkzaamheden was het schrijven van een beleidsvoorstel voor de jaren 1972-1975, waarmee subsidie werd verworven voor een discussie binnen de vakbeweging over de internationale arbeidsverdeling. Geďnspireerd door inzichten van Jan Tinbergen en Jan Pronk wilden we binnen de vakbeweging het klimaat rijp maken voor besluitvorming over bijvoorbeeld de verplaatsing van de Twentse textielnijverheid naar landen in Noord-Afrika. Het was beter om textiel dichter bij waar de grondstoffen vandaan kwamen, te produceren. We benaderden daarvoor ‘sleutelfiguren’ die in de regio en in de bedrijven de discussie daarover moesten aanzwengelen.”

Blauwe plek op vakbondsziel

“De samenwerking van de vakbeweging in de SOSV stagneerde echter vanaf 1973. NVV en NKV zetten een ontwikkeling in gang die uiteindelijk tot de FNV heeft geleid. Het CNV haakte af. Veel werk dat in gang gezet was, werd als gevolg daarvan stop gezet en ontmanteld. Tegelijkertijd begon de profilering ten opzichte van elkaar. Het is een blauwe plek op mijn vakbondsziel dat de fusie tussen de drie vakcentrales strandde. Voor mij persoonlijk betekende dit dat qua huisvesting het CNV-kantoor werd verlaten en werd ingetrokken in het net nieuwe kantoor van de bouwbonden van NVV en NKV in Woerden. Enige tijd later, de SOSV was toen volledig ontmanteld, kwam ik op het FNV-hoofdkantoor in Amsterdam terecht, waar ik het internationale solidariteits- en bewustwordingswerk werk voortzette samen met collega’s van de afdeling Internationale Zaken van de FNV.
“Vanaf 1975 heeft minister Jan Pronk het medefinancieringsprogramma opgezet. Hij meende dat de haarvaten van de ontwikkelingslanden beter konden worden bereikt via maatschappelijke – niet-gouvernementele – organisaties hier en vergelijkbare organisaties daar. Hij nam in dat programma ook de vakbeweging op. Ik werd aangewezen om daaraan uitvoering te geven. Eerst vanuit SOSV, later vanuit de FNV”.
“Eén van de eerste vragen was, hoe de toegewezen miljoenen te besteden? We besloten daarvoor twee kanalen te benutten. Via de grote internationale vakbondsorganisaties waarbij de drie vakcentrales waren aangesloten – het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen (IVVV) en het Wereld Verbond van de Arbeid (WVA) – werd de poort geopend naar vakcentrales in de andere continenten. We besloten daarnaast ook rechtstreeks vakorganisaties in ontwikkelingslanden, die bij ons aanklopten, te ondersteunen. Door informatie over deze projecten in de vakbondsbladen te geven, gaven we direct ook een impuls aan het bewustwordingswerk.”
“Als uitvloeisel van het medefinancieringsprogramma kwamen ook de reizen naar ontwikkelingslanden, langs de vakorganisaties en hun projecten die met Nederlands belastinggeld werden mogelijk gemaakt. De eerste jaren heb ik dat alleen gedaan. Maar ik wilde dit werk niet tot mijn persoon beperken. Naar verloop van tijd nam ik vakbondsjournalisten en bestuurders  mee en weer later ook kaderleden mee. Dat heeft tot veel aandacht in de vakbondsmedia geleid. En tot discussieavonden in de regio en in bedrijven, waarbij kaderleden op zeer betrokken wijze verslag deden van wat ze met eigen ogen hadden gezien. Ze brachten de Derde Wereld in hun werk- en woonomgeving thuis.”

Met een zak geld op stap

“Het medefinancieringsprogramma, het reizen met een zak geld, had ook zijn schaduwzijde. Ik werd gedreven door idealisme, mijn zakelijk instinct werd erdoor enigszins weggedrukt. Keer op keer werd je gevraagd om vertrouwen te hebben in de buitenlandse vakbondscollega. Ik herinner me een vakbondsman uit Togo, die in woede ontstak, toen ik liet merken dat ik niet zomaar geld kon geven, dat er enige controle moest zijn op de besteding ervan. Hij schreeuwde: ‘je moet me vertrouwen!’. Daartegenover stond het constante risico van ingepakt worden. In India werden mijn vrouw en ik eens ontvangen bij een project in Aurangabad. Daar was bij een waterput een plaquette opgehangen met de tekst: ‘Mr. and Mrs. Jeuken came and water started to flow. Een andere kritische vraag die ik mezelf destijds vaak stelde was: wat was het eigen belang van de vakbondsleiders van wie projecten met Nederlands belastinggeld in gang konden worden gezet?”
Ela Bhatt te midden van enkele SEWA-medestrijdsters

“Een project waar ik nog steeds een goed gevoel over heb, dat ik als een hoogtepunt van mijn werk beschouw, is de Self Employed Women’s Association (SEWA) van Ela Bhatt in Ahmedabad. In 1978 bezocht ik voor de tweede keer India. Ik ontmoette haar toen, als leidster van de vrouwenafdeling van de Textile Worker’s Association. Ze dreigde er met SEWA uitgezet te worden. De FNV besloot haar organisatie rechtstreeks, niet langer via de textielbond, te steunen. SEWA kon daardoor overeind blijven en is nu zelfs rechtstreeks aangesloten bij het Internationaal Vakverbond (IVV). In het boek ‘Collega’s wereldwijd’, waarin verslag gedaan wordt van 40 jaar internationale vakbondssolidariteit van de FNV, wordt terecht veel aandacht aan haar besteed. Onlangs bracht Mario van de Luijtgaarde, nu medewerker van Mondiaal FNV, een bezoek aan haar. Ze is inmiddels 83 jaar en internationaal gelauwerd met tal van eredoctoraten. Mario kwam met twee boeken terug van haar, waarin ze een persoonlijke opdracht voor mij had geschreven. Ze beseft wat de betekenis van de FNV is geweest voor haar en haar organisatie met zo’n 2 miljoen leden. Dat maakt voor mij de cirkel rond”.
Opdracht voor Piet Jeuken van Ela Bhatt in haar boek We Are Poor but So Many


Spanningen en weerstanden

“Het werk was niet geheel zonder spanning, zonder weerstand. Binnen het bewustwordingswerk brachten we mensen van Nederlandse bedrijven in contact met hun collega’s van hetzelfde bedrijf in ontwikkelingslanden. Bijvoorbeeld van Biliton hier en in Suriname. Dat kon leiden tot schrijnende vergelijkingen wat arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden betreft. En tot kritische discussies binnen de bedrijven en hun ondernemingsraden. Het was de tijd van ‘multinationals zijn onze vijanden’. Dat heeft ook tot spanningen geleid in de Nationale Adviesraad voor Ontwikkelingssamenwerking (NAR), een adviesraad van de regering. Maar ook binnen de FNV waren er spanningen. In de discussie over de verplaatsing van textielbedrijven naar Noord-Afrika lag de Industriebond dwars. Peter van Dam heeft in zijn studie over de SOSV die houding samengevat in ‘Internationale solidariteit, maar met mate’. Het eist leiderschap van vakbondsbestuurders in discussies met leden en betrokken werknemers de betekenis van internationale arbeidsdeling over het voetlicht te brengen en te pogen echte internationale solidariteit aan de dag te leggen”.
“Andere weerstanden hebben we ondervonden na de opheffing van de SOSV. In het algemeen kregen we veel steun vanuit de Derde Wereldbeweging. Die wilde ons graag bij hun werk betrekken. Maar toen SOSV formeel werd opgeheven, wilden enkele oud-medewerkers en actieve groepen die we hadden opgericht het werk zelfstandig voortzetten. Deze ‘anarchistische basisclubs’ werden niet door de FNV getolereerd. Samenwerking werd niet toegestaan”.
“De rol van de vakinternationales bij ons medefinancieringsprogramma leverde een ander soort weerstand op. Er waren internationaal spanningen tussen het IVVV, waar het NVV van oudsher bij aangesloten was, en het WVA, waarbij het NKV was aangesloten. Het IVVV was veel groter en machtiger, maar had in Zuid-Amerika nogal wat aangesloten organisaties die verbonden waren met autoritaire en dictatoriale regimes. Terwijl het WVA juist contacten had via haar regionale organisatie CLAT met de bevrijdingsbewegingen. In 2006 zijn beide organisaties uiteindelijk samengesmolten. Naast IVVV en WVA was er nog een derde vakinternationale, het Wereld Vakverbond (WVV). Deze was kort na de Tweede Wereldoorlog opgericht, maar raakte al snel in communistisch vaarwater. Toen we vanuit de FNV de anti-apartheidsbeweging in Zuid-Afrika wilden steunen, kwam samenwerking met de SACTU aan de orde, die was aangesloten bij het WVV. In de discussie daarover kwamen oude Koude Oorlogsreflexen op. ‘Je kunt toch geen ideologische tegenstanders binnen de FNV steunen?’ We hebben uiteindelijk toch contacten met SACTU opgebouwd”.
“Bij mijzelf maak ik wel eens de balans op. Is het allemaal zinvol geweest. Is het geld goed besteed? Dan kom ik tot de conclusie, dat het makkelijker is te geven, dan te ontvangen. Zijn de organisaties die we hebben gesteund onafhankelijker geworden? Wat is er bijvoorbeeld geworden van de organisaties van de ‘rural poor’? Hebben we daar een stimulans aan kunnen geven, die van blijvende waarde is geweest? Ik heb geen overtuigend antwoord op deze vragen. Ela Bhatt en SEWA staan hoe dan ook aan de positieve kant. Bovendien ben ik er trots op dat het werk, waarvan ik mede aan de basis heb gestaan, na 40 jaar nog steeds een prominente plaats heeft binnen FNV en CNV.”

Jeroen Sprenger
Maart / april 2016